Zondag 12 september 1999
Uros-eilanden
In de baai van het Titicacameer bij Puno liggen de Uros-eilanden, drijvende eilandjes van riet. Bij één ervan leggen we vroeg in de ochtend aan. Op het eilandje leven mensen, ze wonen in hutjes van riet en leven heden ten dage vooral van het toerisme. Voor de huisjes zitten vrouwen huisvlijt te verkopen, kleurige kleden en van riet gevlochten bootjes. Het zijn miniaturen van de echte boten die naast het eilandje aangemeerd liggen, helemaal van riet met voorop een drakenkop. Zo’n boot gaat ongeveer een halfjaar mee, daarna gaat het riet rotten en moet er een nieuwe boot in elkaar worden gevlochten. Voor de Uros-eilanden geldt hetzelfde, vanonder rotten ze langzaam weg, dus worden ze vanboven regelmatig met vers riet aangevuld.
Tussen de toeristenstalletjes door wandelen we over het eilandje. De bodem voelt zompig aan en het verse riet knispert onder de schoenen. Langs de rand van het eilandje is de rietlaag maar dun, een vrouw die iets te dichtbij komt zakt met één voet door de bodem. Ze heeft het snel door zodat het bij een natte voet blijft. Het toerisme is gelukkig beperkt tot een paar eilandjes, de rest oogt authentiek. Bij het langsvaren zien we mannen met zeisen vers riet hakken aan de randen van de eilandjes. Het meest surrealistische beeld zijn koeien die op de rieteilandjes in het Titicacameer staan.
Amantaní
Het is drie uur varen naar het vastliggende eiland Amantaní. Het nog redelijk in zichzelf gekeerde eiland heeft ongeveer vierduizend inwoners, die leven van het bebouwen van de terrassen op de hellingen van het eiland. Wanneer we aan komen varen rent een klein meisje met de boot mee over het strand, ze zwaait naar ons. Op de aanlegsteiger staat een groepje eilandbewoners ons op te wachten. We gaan bij hen thuis overnachten. Ze hanteren hiervoor een circulatiesysteem zodat iedereen een graantje kan meepikken van het toerisme. Onze gids Ángel roept één voor één namen en uit de groep komt dan iemand naar voren met wie twee of drie gasten meegaan.
Liesbeth, Gerhard en ik lopen achter een vrouw aan de heuvel op, naar haar huis in het dorp. De huizen staan best ver van elkaar af om van een dorp te kunnen spreken. Er staan telkens drie tot vijf huizen bij elkaar, een akkertje verder staat weer een volgend groepje huizen. Buiten adem komen we aan bij een winkeltje met aan de buitenmuur een uithangbord van Pepsi Cola. Op de verdieping is het gastenverblijf. Via een smalle betonnen trap langs het huis klimmen we naar een plateau waaruit roestige pennen betonstaal omhoog steken. Om binnen te komen moeten we diep bukken, de deur is ongeveer een meter hoog. Binnen kunnen we wel gewoon rechtop staan. Vanuit de kamer hebben we een fraai uitzicht over de terrassen van het eiland, het glimmend blauwe Titicacameer en de Boliviaanse bergtoppen aan de andere kant van het meer.
Helemaal thuis
De familie woont in een naastgelegen huis. De schoorsteen rookt er om een eenvoudige doch voedzame maaltijd voor ons te bereiden. Een soep van verschillende groenten en granen en een hoofdmaaltijd met rijst, gebakken ei en verschillende soorten lekkere kleine aardappeltjes, nog in de schil. Verlegen komt de gastvrouw het ons brengen.
Na het eten probeer ik het toilet uit, een hokje naast het huis met drie muren en een groot stuk blauw plastic als deur. Onder het hokje is een diep gat gegraven dat is afgedekt met planken. In de planken is een kleiner gat gezaagd waar je boven dient te hangen. Mooi detail is het kleine open ruitje in een van de muren waardoor van hetzelfde fraaie uitzicht kan worden genoten als vanuit onze slaapkamer. Alleen tijdens staand plassen, dat wel, als ik boven het gat hang zie ik de omgeving door het blauwe plastic van de deur schijnen. Ik hoor m’n hoopje niet op de grote hoop onder me vallen, zoals ik had verwacht. Het gat moet erg diep zijn. Wanneer ik weer naar buiten stap zie ik naast het toilet een dichtgestort gat, het vorige toilet.
Pachatata
Om de zonsondergang goed te kunnen bewonderen klimmen we naar een van de toppen van Amantaní. Bij het kleine stukje klimmen vanuit het haventje naar ons logeeradres waren we door het gebrek aan zuurstof in de lucht al zomaar uitgeput. Deze klim naar de top let ik daarom heel goed op de regelmaat in m’n ademhaling. Bij te snel ademen weet je al snel niet meer hoe je het hebt en stoppen met lopen is dan de enige remedie. Het werkt, de drie kwartier naar de top loop ik zonder problemen en zonder te stoppen. Als ik op de top naast de ruïnemuren van Pachatata ga zitten klopt het hart me hard in de keel. Het geeft een voldaan gevoel.







