Zaterdag 11 september 1999
Bureaucratie op het busstation
In het busstation is het een gekrioel van jewelste. Het onverstaanbare harde geroezemoes van de mensenmassa wordt overstemd door mannen die de laatste tickets voor de bussen van vanavond trachten te verkopen. Lima, Lima, Lima! Nazca, Nazca, Nazca! Puno, Puno, Puno! Om vanuit de hal bij de bussen te komen is het niet voldoende om je busticket te laten zien. Je moet terug naar een loket om een apart ticket te kopen, à één sol. Het begint inmiddels te wennen, de bureaucratie in Peru. M’n paspoortnummer ken ik inmiddels uit het hoofd, zo vaak heb ik het op formuliertjes moeten invullen. N32435065. Net op het toilet was wel het administratieve hoogtepunt. Na betaling van een halve sol kreeg ik een paar velletjes toiletpapier, te weinig voor een grote boodschap, oké voor een keer flink snuiten. Plus een keurig bonnetje, blijkens het opschrift goed voor eenmaal gebruik van de servicios higiénicos.
Bij de bus moeten we eerst links in de rij staan om de bagage af te geven, dan rechts en vervolgens toch weer links. De bus ziet er versleten uit, van buiten en van binnen. De stoel die vannacht de mijne is heeft een doorgezakte zitting en de rugleuning helt naar links. Beenruimte is wel voldoende, gelukkig. De eerste kilometers zijn oké, dit is Arequipa nog. Buiten Arequipa wordt de weg een steenpad en blijft een steenpad. Let wel, dit is een belangrijke doorgaande route. Het is de enige weg vanuit Arequipa, de tweede stad van Peru met meer dan een miljoen inwoners, naar plaatsen als Puno, Juliaca en Cuzco, met elk rond de honderdduizend inwoners.
Nachtmerrie naar Puno
Eenmaal op het steenpad begint alles aan en in de bus te rammelen. Stoelen, bagagerekken, de klep in het dak, die laatste maakt de meeste herrie. We zitten precies boven de achteras, daar waar het effect van het gehobbel het grootst is. Bergop schuift alle bagage in de rekken naar achteren, bergaf naar voren. Ik voel al snel een lichte nekhernia opkomen. Al het mogelijke doe ik om de reis zo aangenaam mogelijk te maken. Nekkussentje om, oordoppen in, voor het eerst gebruik ik die dingen en ze dempen het geluid tot een aanvaardbaar niveau. Het gehobbel van de bus kan echter op geen enkele manier worden gedempt.
Het lukt maar niet om een houding te vinden in de scheef hangende stoel. Even lijk ik lekker te liggen met de knieën tegen de stoel voor me, tot de man voor me besluit rechtop te gaan zitten, waarschijnlijk beu van mijn drukkende knieën in zijn rug. Naar rechts liggend rolt mijn kont klemvast onder de stoelleuning, deze drukt dan pijnlijk op mijn linkerheup. Naar links liggen kan helemaal niet, door het overhellen van de stoel rol ik dan het gangpad in. Vlak op de rug met het hoofd naar links of rechts hangend, zo alleen kan ik zitten. Slapen is uitgesloten.
De weg naar Puno gaat over passen van tegen de vijfduizend meter. ’s Nachts vriest het daar en in de bus is het niet veel warmer. Bij alle ramen tocht het en de chauffeur draagt handschoenen. Rillend van de kou en van het schudden van de bus lig in onder mijn Peruaanse jas van lamawol. Toch ben ik er vrij vrolijk onder. Gewoon in de bus blijven zitten en de nachtmerrie ondergaan is het minst slechte alternatief. Uitstappen, zoals de hysterische Duitse vrouw achterin de bus wil, is nog beroerder op de verlaten koude Altiplano. Met mijn ogen dicht zie ik de machtige Colca Canyon weer voor me en droom toch een beetje weg.


