Zaterdag 4 september 1999
Gezellig op een bankje
De Lonely Planet is niet erg genereus over Lima. Het is met acht miljoen inwoners vooral een overbevolkte, rumoerige en vervuilde stad. Het weer zit ook niet mee, een groot deel van het jaar is Lima gehuld is in een sombere zeemist. Maar omdat het mijn eerste kennismaking met Zuid-Amerika is, kijk ik toch m’n ogen uit wanneer ik door het centrum wandel. De Spaanse koloniale gebouwen in afgebladderde pasteltinten worden afgewisseld met moderne rechthoekige gebouwen van glas in roestig staal. Het Plaza de Armas is het levendige hart van de stad, met perkjes met gras en bloemen, zomerse palmbomen en fijne bankjes.
Wanneer ik op een bankje ga zitten om de reisgids te lezen, komt er al snel een Peruaanse vrouw naast me zitten. Ze probeert in het Spaans wat met me te praten. Erg soepel gaat dat niet, ik had thuis toch harder moeten studeren op de Spaanse lessen van cd-rom. Het gaat beter wanneer er een Peruaanse jongen bij komt zitten die goed Engels spreekt. Hij vind het gewoon leuk om even Engels te kunnen praten. Even later komt er nog een groepje Peruaanse schoolmeisjes bij het bankje staan, die vragen of ze met me op de foto mogen.
Slecht een paar zinnen ver kom ik in de reisgids, genoeg om te weten wat ik wil doen. Een paar straten verder is de San Pedro kerk. Ook deze kerk heeft twee pastelgele torens met witte accenten, maar is wat kleiner en eleganter dan de San Francisco kerk. Binnen val ik midden in een drukbezochte dienst. Het is waarschijnlijk een rouwdienst, want wanneer de misgangers de kerk weer verlaten schudden ze een klein groepje mensen de hand. Een aantal van hen heeft een fotootje in de hand van een heel oud uitziend vrouwtje.
Luguber
Twee barokke torens markeren de kerk en het klooster van San Francisco. De pastelgele kleur en ronde koepels geven de torens een wat zachtere uitstraling. Ook het interieur van de kerk is minder zwaar dan ik ken van kathedralen in Europa, door de witte basiskleur van de wanden en het plafond. Het compenseert enigszins voor de zware aankleding, met donker hardhout, bladgoud en taferelen vol verdoemenis. Eén vertrek van het klooster hangt vol schilderijen over de lijdensweg van Jezus naar het kruis, geschilderd door Rubens en zijn leerlingen. De catacomben zijn werkelijk luguber. Het ligt er vol met menselijke botten en schedels, netjes gesorteerd en in creatieve patronen gelegd. Het meest bizar is een ronde bak waarin met afwisselend schedels en botten cirkels van klein naar groot zijn gelegd.
Wibra
Liesbeth is naar het vliegveld geweest en heeft nieuws over de verdwenen rugzakken. De mijne is getraceerd, hij ligt in Parijs. Hij zal met Iberia via Madrid hiernaartoe worden gestuurd. Omdat wij intussen verder reizen, zal de rugzak worden doorgestuurd naar Arequipa. De komende dagen zal ik dus nog zonder moeten doen. De rugzakken van René en Monique zijn spoorloos. Als we morgen langskomen op de luchthaven, krijgen we alle drie zestig dollar om kleding en andere noodzakelijke dingen mee te kopen.
In de plaatselijke Wibra in de verkeersvrije winkelstraat doe ik inkopen voor de komende week. Gelukkig was mijn dagrugzak met handbagage goedgevuld, met een complete toilettas en verse kleding voor vandaag. Het eerste wat ik uitzoek is een warme trui, want een overhemd is het warmste dat ik op dit moment bij me heb. Een mevrouw helpt me grutten in de bak met truien van 30 sol, een gulden of 18. Als we er een mooie uit hebben gevist wil ik met de trui verder de winkel door, richting onderbroeken. Dat kan niet. De vrouw schrijft een bonnetje uit, daarmee moet ik naar een andere vrouw achter de kassa om te betalen. Van de kassière krijg ik een ander bonnetje, dat ik weer moet inleveren bij de vrouw van de truien. Die stopt de trui in een plastic zak en niet ‘m dicht met het betaalbewijs tussen een van de nietjes.
En zo koop ik nog zes paar sokken, zes onderbroeken en drie t-shirts, elk uit een andere bak en dus van een andere mevrouw. Maar wel telkens via dezelfde kassa.


