Vrijdag 1 oktober 1999
Vliegen tussen bergtoppen
Het vliegtuig komt los van de grond en zoekt z’n weg tussen de bergtoppen rond Cuzco. De hoogste toppen steken de bewolking in en het vliegtuig doet dat nu ook. In de grijze mist is geen berg meer te zien en dat zal bij de raampjes waar de piloten doorheen kijken niet anders zijn. Ik ben opgelucht wanneer het vliegtuig door de bovenkant van het wolkendek prikt. Daar is nog een enkele besneeuwde bergtop zichtbaar, op veilige afstand.
Samen met René en Monique ben ik onderweg naar Lima, van waaruit we morgen weer terugvliegen naar Nederland. Liesbeth is in Cuzco gebleven en Gerhard reist vanuit Cuzco nog door naar Manú in het Amazonegebied. Lima ligt er nog net zo bij als een maand geleden, grijs en grauw en een graad of twintig. De instructies die Liesbeth ons heeft meegegeven voor taxi’s en hotels zijn overbodig. Op het vliegveld staat geheel onverwacht een jongen te wachten met een bordje met onze namen erop. Door het verstopte verkeer rijdt hij ons naar het hotel waar we alleen onze spullen droppen. We willen deze laatste dag nuttig besteden en gaan meteen op pad.
Verre voorlopers van Picasso
Doel één is het Museo de la Nación dat de meest uitgebreide collectie aan Peru-historie schijnt te herbergen. Voor het eerst houden we zelf een taxi aan op straat, dat regelde Liesbeth als reisbegeleider altijd. Ik noem de bestemming en vraag de prijs. Die is lager dan ik had verwacht, maar voor de vorm onderhandelen we er nog een paar sol vanaf voor we instappen en wegrijden. Kilometers rijden we zonder ook maar enige vorm van ontstedelijking waar te nemen. Grauwe huizen, grauwe wegen vol grauwe auto’s en een grauwe lucht. Af en toe een stukje vrolijk Zuid-Amerikaans pastel, van iemand die net z’n huis of auto heeft schoongemaakt.
De taxi zet ons af voor een modern vormgegeven blok beton. In de leegte van het grote plein eromheen straalt de lelijkheid er vanaf. Geen ramen, geen kleur, geen mens te zien. Een toegangsdeur is er wel, met daarachter een enorme hal waar een gouden zon ons toelacht. De collectie is fantastisch. De hele afgelopen maand in een notendop, alle culturen komen uitgebreid aan bod. Zelfs in dit wereldse museum in de hoofdstad is de toelichting uitsluitend in het Spaans, maar door de in de afgelopen maand opgedane voorkennis is er nog redelijk uit te komen.
Het langst blijf ik hangen bij potten met tekeningen van de Nazca-cultuur. Hun lijnen en tekeningen op het aardoppervlak waren al indrukwekkend en deze kunstvoorwerpen zijn minstens zo intrigerend. Het is puur moderne kunst, figuratief maar abstract, zonder de intentie om de tekeningen zo goed mogelijk te laten lijken op het levende voorbeeld. De beesten, planten en mensen die op de potten zijn afgebeeld zijn kleurrijk en in een stijl waar Picasso en de Cobra-groep door lijken te zijn geïnspireerd.
Goudmuseum
Net zo gemakkelijk als daarnet pakken we een taxi naar Museo Oro del Perú, het goudmuseum. Door een dikke glazen deur lopen we de airconditioned toonzalen met goud binnen. Het zijn drie zalen, erg groot zijn ze niet, en alle drie zijn ze tot de rand toe volgestouwd met gouden voorwerpen, voornamelijk uit de Inca-periode en de periode daarvoor. Om een beeld te geven: één vitrinekast zo hoog als de zaal en een meter of twee breed is gevuld met knopen, ringen, poppetjes, spelden, van alles, genummerd van één tot ongeveer driehonderd. En zo staan de wanden van alle zalen vol vitrines, plus vlakke vitrines en aangeklede poppen en zelfs volledig met bladgoud bedekte tussenwanden, zoals ze ooit in tempels hebben gestaan.
In heel Peru heb ik de afgelopen maand alleen maar gehoord en gelezen dat de Inca’s veel goud hadden, maar bij de ruïnes en in musea was alles van steen en andere eenvoudige materialen. En hier is er alleen maar goud, een onoverzichtelijke overdaad aan goud. En dat is nog maar een restje van hetgeen de Spanjaarden hier aan goud hebben geroofd om hun Europese oorlogen mee te financieren. Overweldigd loop ik langs de vitrines, tussen alle glimmers op zoek naar de bijzondere voorwerpen. Opvallend zijn de seksueel expliciete beeldjes, man-en-vrouw-in-diverse-standjes. Erg grappig is een blokfluit in de vorm van een penis. Van goud uiteraard, een zogezegd gouden pikkie.
Miraflores
Overactief als we zijn willen we ook nog naar een winkelcentrum in Miraflores, de chique wijk van Lima. De taxichauffeur die voor het goudmuseum toeristen opvangt denkt goud aan ons te kunnen verdienen. Een jonge vrouw ziet ons zijn bod wegwimpelen, laat ons haar taxichauffeursbewijs zien en gidst ons haar Suzuki in. Een vrouwelijke taxichauffeur hebben we hier nog niet eerder gezien. Ze rijdt als een vent, links en rechts haalt ze het stokkende verkeer in. Bij het verlaten van de wijk waar ze bevoegd is taxi te rijden gaat het bordje taxi van de voorruit af.
Het winkelcentrum blijkt een boulevard die op de rotsen boven de oceaan is aangelegd. De boulevard ligt verdiept en is alleen via trappen in het midden te bereiken. De toegang wordt scherp bewaakt. Onze rugzakken worden geïnspecteerd en met een indrukwekkende zwarte staaf worden wijzelf op de aanwezigheid van metalen doorzocht. De plasticfles fris mag mee, maar niet worden genuttigd op de boulevard.
Echt winkelen kan niet op de boulevard, er zijn nauwelijks winkels. Eten en drinken kun je er, het is één grote Amerikaanse vreetschuur. Fastfood in alle vormen, natuurlijk hamburgers maar ook pizza’s, chinees en sandwiches. Alle bekende ketens uit de Verenigde Staten zijn er vertegenwoordigd. Na tien minuten heb ik het wel bekeken. Ik hou het bij een ijsje van Ben & Jerry’s en loop nog een stukje langs de kust. Grote woonblokken en af en toe een parkje, dat is het. Minutenlang zweeft er een parapente op de thermiek tussen de rotsen en de oceaan, op ongeveer dezelfde hoogte als waar ik wandel.
Poëzie in de taxi
We houden een kleine gele taxi aan. De rijzige oude man achter het stuur vraagt maar zeven sol voor de lange rit terug naar het centrum van Lima. Onderhandelen is niet meer nodig. De man zit licht gebogen achter het stuur en heeft een grote hoornen bril schuin naar voren hellend op z’n neus staan. Terwijl het buiten begint te schemeren leidt hij ons voorzichtig door de avondspits. Geen kamikaze-inhaalmanoeuvres zoals andere taxichauffeurs, nee, met op de autoradio stemmig uitgesproken Peruaanse poëzie laat hij z’n gele torretje over de golven van de verkeersstroom meevoeren. Ineens heeft dat lelijke Lima toch wel wat.



