Maandag 6 september 1999
Kandelaar
Met reddingsvesten om zitten we dicht op elkaar gepakt in de open speedboot. De voorkant van de boot komt uit het water los wanneer we met vijftig kilometer per uur over de oceaan scheren. Naarmate we verder de zee opvaren worden de golfbewegingen heviger. Het is een langgerekte deining waardoor het lijkt of we heuvel op- en afvaren. Het is koud, winderig en er hangt een mistige bewolking.
De boot houdt stil voor de kust van het schiereiland Paracas. Tegen de woestijnhelling is een tekening gemaakt. Het is de Candelabra, een sierlijke kandelaar met drie armen, maar eigenlijk weet niemand wat de tekening precies voorstelt en waarom die ooit gemaakt is. Het is een groot mysterie, net als de Nazca-lijnen. Het lijkt vanaf het water zo eenvoudig, alsof een kind met een schepje wat lijnen in het zand heeft getrokken. Alleen is dit een tekening van een onvoorstelbare 170 meter hoog.
Guano
We varen verder de oceaan op. De golven beuken af en toe zo op de boot dat we een douche zeewater over ons heen krijgen. De bestemming is Islas Ballestas, een verzameling kleine zwarte rotseilanden. Van het zwart is niet veel zichtbaar, de eilanden zijn bedekt met een dikke laag guano, vogelpoep. Behalve enorme koloniën vogels die de guano produceren, zijn er op de eilanden ook veel zeeleeuwen. In groepen liggen ze lui tegen de steile rotsen. Af en toe zwemt een zeeleeuw tussen de rotsen en de boot, nieuwsgierig naar de langsvarende bezoekers. Jonge zeeleeuwen spelen op de rotsen, met elkaar, met guano of met een zeester. Twee volwassen zeeleeuwen strijden kort met elkaar, al snel glijdt de verliezer meters naar beneden om vlak boven de waterlijn tot stilstand te komen.
Een curiositeit op Islas Ballestas zijn de Humboldt-pinguïns. We hebben geluk, we zien er een paar en van redelijk dichtbij. Van ver is het moeilijk ze te onderscheiden van vogels, ze zijn ongeveer even groot en ook zwartwit gekleurd. Van dichtbij is de echte pinguïnwaggel overduidelijk. Net als bij de zeeleeuwen is het wonderlijk dat zulke onhandig bewegende hompen vlees zo hoog op de steile rotseilandjes terecht zijn gekomen.
Tussenstop in Ica
In een uurtje zoeft de bus geruisloos naar Ica. Daar moeten we een uur wachten op de volgende bus. Het is hier alweer zonniger dan direct aan de kust. Tegenover het busstation is een soort braderie met aanstekelijke salsamuziek. Op straat rijden kleurige Sisi-karretjes, die als eenvoudige taxi’s worden gebruikt. Ik vraag de weg naar het Plaza de Armas. In elke Peruaanse stad is het Plaza de Armas het centrale plein en overal zijn ze mooi en levendig. Zo ook in Ica, al is het hier wel een modern Plaza de Armas met een obelisk in plaats van een man te paard in het midden. De obelisk zou in een vijver met fontein moeten staan, maar water stroomt er niet.
Met een koud flesje Fanta ga ik op een bankje zitten. Tegenover me keuvelen drie oude mannetjes. Een man van de plantsoenendienst besproeit het gras op het plein. Af en toe komen Peruanen bij hem langslopen voor water uit de tuinslang om hun haren of gezicht mee schoon te maken. Een meisje in schooluniform en met jampotglazenbril loopt met haar hondje aan de riem over het plein. Het is een ongewoon beeld, tot nu toe heb ik in Peru alleen zwerfhonden gezien, dit is een aangelijnde vrolijke jonge terriër. Ook dit hondje moet onder de waterstraal, onder hevig protest.
Kaarslicht
Bij het busstation in Nazca worden we opgewacht door een jongen van het hotel. Hij rijdt ons in stijl naar het hotel in zijn lichtblauwe Amerikaanse sloep, een Chevrolet Bel Air uit de jaren zestig. Onze bagage verzuipt in de enorme kofferruimte en op de voorbank is meer dan genoeg plaats voor twee passagiers naast de chauffeur. Wel zit de versnellingspook wat in de weg, deze steekt uit de wagenvloer. In de stuurkolom is een leegte van de oorspronkelijk gemonteerde stuurversnelling. De jongen vertelt dat de auto nu op diesel loopt, er is een zescilindermotor van Nissan in gehangen. De Bel Air klinkt nu als een truck. Na vijfhonderd meter zijn we al bij het hotel, de rit had van mij veel langer mogen duren.
Het licht valt uit. Niet plaatselijk, de hele stad is in één flits aardedonker. Alleen de auto’s op straat geven nog licht. We waren net onderweg van een restaurant terug naar het hotel. Het hotel wordt schaars verlicht door kaarsen in limonadeflesjes die door de medewerkers van het hotel geroutineerd tevoorschijn zijn gehaald. Ik krijg ook een kaarsje in een fles, mijn zaklamp zit immers in de grote rugzak die nog ergens anders op de wereld rondzwerft. Met het kaarsje ga ik aan een tafeltje op de binnenplaats van het hotel zitten. Het geeft voldoende licht om bij te kunnen schrijven. Om me heen zitten andere gasten bij kaarslicht te lezen. Het heeft wel wat. Zelfs een bezoek aan het toilet wordt een belevenis, in het schijnsel van de kaars in de limonadefles voor me op de grond.





