Maandag 27 september 1999
Verse sneeuw
Aan het einde van de nacht houdt het eindelijk op te regenen. Voor m’n gevoel heb ik nog nauwelijks geslapen, ik heb liggen luisteren naar de regendruppels op de tent. De tent is nat en koud. Het voeteneind van m’n slaapzak voelt vochtig aan en de tentrand vlak boven m’n hoofd is doorweekt. Middenin de tent hangen de natte broeken van Liesbeth en van mij, droog zullen ze vannacht niet worden. Mijn mummieslaapzak is geschikt voor temperaturen rond het vriespunt, maar zelfs met een jas over de slaapzak heb ik het nog koud.
Als ik de tent openrits heb ik een prachtig uitzicht over het dal. Vanuit het dal komen wolken omhoog zetten. Ik zoek het fototoestel maar ben te laat, het dal is in de wolken verdwenen. Na een staand ontbijt trekken we verder, langzaam beklimmen we een bergwand die leidt naar de volgende pas. Het is best lekker dauwtrappen tussen de wolken. De gaten in de wolken cirkelen om ons heen en bieden afwisselend zicht op een flard van het dal, een rotspunt of de besneeuwde bergtoppen boven ons. De regen van afgelopen nacht heeft op iets grotere hoogte voor een verse sneeuwlaag gezorgd.
Een balancerend Inca-dorp
Na de bergpas dalen we flink. De begroeiing wordt dichter, het begint steeds meer te lijken op tropisch regenwoud. Cloud forest wordt het genoemd, nevelwoud. De bergen worden er geheel door bedekt. Van een afstand lijkt het of de bergen begroeid zijn met groen mos, in werkelijkheid zijn het boomtoppen die in elkaar vergroeid zijn. De vorm van de bergen is nogal bijzonder. De hellingen zijn bijzonder steil, de toppen glad afgerond. Tegenwoordig leven hier geen Peruanen meer, ze komen enkel nog om toeristen rond te leiden. Vroeger wel, we komen langs de resten van het Inca-dorp Sayacmarca dat balanceert op een bergtop. Ooit woonden er een paar honderd mensen. Het is een mooie plek om te wonen, maar als bij zoveel afgelegen plaatsen vraag ik me af wat mensen hier ooit heeft gebracht. Het dal lijkt een veel logischer plek om een nederzetting te stichten, ook een veel logischer plek om een pad door aan te leggen in plaats van het Inca-pad over hoge bergpassen dat wij nu afleggen. De Peruanen van nu zijn daar ook achter gekomen en hebben door het dal een spoorverbinding naar Machu Picchu aangelegd.
De heilige vallei
Tijdens de lunch begint het te druppelen, dan te regenen. De regenponcho’s worden gelaten weer tevoorschijn gehaald. Het pad is intussen voor grote delen verscholen onder de bomen. Afwisselend stijgt en daalt het, steil is het nergens. Ik heb m’n tempo teruggebracht tot slenteren, kijk aan alle kanten om me heen. Er groeien allerlei soorten bloemetjes die ik niet ken, boomtakken zijn bedekt onder een laag vochtig mos. Overal groeien hele fijne palmpjes die ik herken van de Intratuin en waarvan ik dacht dat het wel een kunstmatig kweekje moest zijn.
Voor de laatste afdaling kunnen de poncho’s weer uit, de lucht trekt zomaar open waardoor het dal en de bergen aan de overkant zichtbaar worden. Voor de heilige vallei van de Inca’s ga ik even goed zitten. Ver onder me kronkelt een rivier om de voet van de berg die tegenover me ligt. Een tijdje komt er niemand langs lopen, het enige wat ik zie zijn de rivier en de bergen. Het groen op de bergen dampt nog na van de regenbui. Ik hoor ook niks, merkwaardig genoeg, ik had wel wat vogel- of insectengeluiden verwacht.
Zwalkend de berg af
De afdaling duurt en duurt maar. Het laatste gedeelte is een smal modderpad, een geul eigenlijk want in het midden is het dieper dan de randen. Ik zwalk een beetje links en rechts langs de geul. Ik heb het wel gehad, meer dan acht uur vrijwel onafgebroken klimmen en dalen. Het parcours is niet al te zwaar, de lengte maakt het zwaar. Op het terras (!) bij de tenten plof ik neer. Het doet hier wat denken aan een jeugdherberg. Er is een betonnen gebouw met een grote eetzaal, wat slaapzalen en zelfs een douche met onbetrouwbare warmwatervoorziening. Na een poosje uitpuffen loop ik stuntelig het gebouw binnen om een fles fris te kopen. Beide kuiten zijn stijf en doen bij iedere stap pijn. Het komt vooral van het dalen, van het continu afremmen. Het dalen heeft tevens gezorgd voor een blaar van niet geringe omvang, hij bestrijkt de hele linkerkant van de rechter grote teen. Ach, morgen is het nog maar twee uren lopen naar Machu Picchu en dat geeft een voldaan gevoel.







