Zondag 26 september 1999
Pap
Pap bij het ontbijt. Bijna niemand eet ervan. De bakjes verdwijnen onder de tafel, waar het puberpluimvee, tussen kuiken en kip, nieuwsgierig toehapt. Met een kritische blik nemen ze af en toe een hapje pap, tot een van de honden doorheeft dat er iets te halen valt en in een mum de bakken leeg slobbert.
Het is een mooie ochtend. Blauwe lucht, nog fris, het duurt nog even voor de zon boven de bergen uitkomt. Om zeven uur krijgen we de laatste tips van Jesse: vooral kleine stappen doen want het is een zware klim en de lucht wordt steeds ijler. Dan vertrekken we. Binnen honderd meter steken we een irrigatiekanaaltje over, ik was m’n handen en hoofd en maak m’n haren nat. Niet veel later kleed ik me om. Trui uit, broekspijpen afritsen, zonnecrème smeren en muggenspray spuiten. Klaar voor de zwaarste dag van de Inca Trail. Monique kom de berg op hollen, ze is blij dat ze me ziet. René is ziek, staat op het punt van overgeven. Ze gaan terug naar Cuzco, het is onmogelijk zo verder te lopen. In Machu Picchu zullen we elkaar over twee dagen weer treffen, is het plan.
Pas van de Dode Vrouw
Met kleine stappen loop ik de berg op. Het is niet echt steil. De begroeiing wordt dichter, de bomen sluiten zich boven me. Ik loop langs John, hij zit langs het pad uit te rusten en al keuvelend lopen we samen verder. Ongemerkt wordt het pad steiler, de lucht wordt vochtiger. We lopen het bos uit en houden op met praten. Het klimmen eist nu alle energie en concentratie op. Voor ons zijn de bergen kaal en zien we in de verte de pas liggen waar we naar toe moeten.
Ik heb alleen nog oog voor de paar meter vlak voor me. De onregelmatig liggende stenen bepalen waar ik m’n voet neerzet, geen stap is hetzelfde. Af en toe stop ik een paar tellen, kijk in de verte voor de oriëntatie. Tergend langzaam komt de bergpas dichterbij. Ik loop stug door, van de omgeving genieten is er niet bij, hoeft ook niet want alles is hier even kaal. Ik kijk steeds minder vaak de verte in, de blijvend grote afstand die ik nog moet overbruggen demotiveert me. Als ik dan toch kijk omdat ik gewoon moet uitrusten zie ik achter de pas de echte pas, tevoorschijn gekomen vanachter een bergwand. Moedeloos klim ik verder, hoe eerder ik de top bereik hoe eerder ik van de ellende af ben.
Drie en een half uur al ben ik aan het lopen, vrijwel onafgebroken. De bergpas die we over moeten is intussen nog een tweede keer naar achteren geschoven. Het pad is een trap geworden met treden die net iets teveel kracht uit de bovenbenen vergen. Met de tip van Jesse om vooral kleine stapjes te doen kan ik hier niks. Moe ga ik op een steen langs het pad zitten, op adem komen voor hopelijk het laatste stuk van de klim en energie bijtanken. Ik eet de lekkerste Snickers die ik ooit gehad heb. Nu ik stilzit merk ik pas hoe koud het is, ik trek eerst m’n trui en dan ook maar m’n jas aan. Halverwege de Snickers begint het te regenen. Ik eet wat sneller en klim verder met de regenponcho over mij en de rugzak heengeslagen. Onder het gezellige getik van de regen op m’n capuchon ben ik in een half uurtje op het eindpunt van de klim. Warmi Wañusqa, oftewel de Pas van de Dode Vrouw, op tweeënveertighonderd meter hoogte.
Regen
Spetters waaien over de bergpas. Zelfs onder de poncho begint het koud te worden. Tevreden kijk ik naar beneden langs het pad dat ik heb afgelegd. Stipjes in alle kleuren komen traag schokkend over het pad in mijn richting. Ik geniet maar kort van de geleverde prestatie. Aan de andere kant van de pas daal ik af, richting lunch maar vooral richting iets minder kou. Het dalen is een compleet andere sensatie. Was het klimmen vooral een aanslag op het fysieke uithoudingsvermogen, dalen is continu zoeken naar een geschikte plaats om de voet neer te zetten en deze voorzichtig maar toch ook vlot naar de juiste plaats te bewegen. Door de regen is het pad omlaag veranderd in een bedding van een stroom regenwater. Het water gutst tussen de stenen door, over de stenen heen. Het resultaat van nog geen uur regenval doet weinig onder voor de stroompjes die we af en toe oversteken.
Niet ver onder de bergpas is de lunchplaats, een grot die zo open is dat ie de naam nauwelijks verdient. Het is lang wachten tot de groep compleet is. Afwisselend zitten we in en staan we naast de grot. Er is maar weinig ruimte om te schuilen en ook de rugzakken liggen er om droog te blijven. Toch hebben we het vorstelijk bij de grot. Andere wandelaars komen steeds doorweekter binnen druppelen. Het wachten op een kop thee en een hapje eten duurt ook lang. De begeleiders hebben grote moeite het vuur aan te krijgen en te houden. In de stromende regen blijven ze rommelen aan de kerosinebrander, die het moeilijk heeft in de zuurstofarme lucht.
Meisje van 13
Vanochtend hebben sommigen hun rugzak bij de overnachtingsplek achtergelaten. Die worden tegen betaling door een drager naar boven gebracht. Twee jonge Duitse kerels uit onze groep krijgen op de lunchplek hun rugzak afgeleverd, zodat ze er zelf verder mee kunnen afdalen. De enorme paarse rugzak van een van hen wordt overhandigd door een meisje, zij heeft de rugzak de helse helling op gesjouwd. Dertien jaar is ze. Beschaamd pakt de man z’n rugzak van haar aan en betaalt haar het dubbele van wat vanochtend door Jesse was afgesproken.
De verdere afdaling naar de overnachtingsplaats loopt soepel. Pas als ik er ben merk ik het effect van de afdaling, ik sta te trillen op m’n benen. De tenten zijn al opgezet, ze staan op een bedje van riet in de drassige modder. Rond alle tenten zijn geulen gegraven, afwateringskanalen. Het is half vier en ik stap in de tent om er behalve voor een plas niet meer uit te komen. Er is geen enkele reden om de tent uit te komen, het regent onophoudelijk en buiten de tent is helemaal niets te doen. Er is een toilethok en een ander betonnen hok zonder duidelijke functie. Af en toe komt een begeleider langs de tenten. Eerst met thee, dan met een soort maïskroepoek, dan met een prakje eten en ter afsluiting met weer een kop thee. Echt, de verzorging verdient vijf sterren. Als na het eten ook het duister is ingevallen en het enige licht van zaklampen en kaarsjes komt, rest eigenlijk niets anders dan maar te gaan slapen. Acht uur is het.



