Dinsdag 21 september 1999
We reizen dezelfde weg terug als precies een week geleden, naar Puno in Peru. Dat komt goed uit, want de zes foto’s die ik heb moeten achterlaten bij de geheime dienst in Bolivia waren onderweg genomen. Het is een relaxte reis met na twee uur rijden een onderbreking voor de oversteek van Estrecho de Tiquina, een smalle doorgang in het Titicacameer. Alle passagiers gaan de bus uit en een motorbootje in, terwijl de bus wordt overgevaren op een ponton ter grootte van een bus. Een uurtje verder is er ruim een uur uitgetrokken voor de lunch in Copacabana en weer iets verder gaan we lopend de grens over. Het doet me denken aan de uitwisseling van krijgsgevangenen als ik met m’n paspoort in de hand door niemandsland loop.
Als we door Peru rijden zijn de scholen net uit. Bij het naderen van de grotere dorpen lopen kinderen in schooluniformen ons tegemoet. In het dorp is een keerpunt van waaraf kinderen in dezelfde richting lopen als wij rijden. Elk dorp heeft een eigen ontwerp met andere kleuren voor de schooluniformen.
Langs de weg staan veel kruisjes, zoveel dat ik ze ga tellen. In een kwartier passeren we er zevenentwintig. De kruisjes staan voor doden, verkeersslachtoffers. Alle chauffeurs hebben de gewoonte om bij de kruisjes een kruisje te slaan. Zeker op bochtige wegen langs diepe en afgeschermde afgronden zou ik liever zien dat ze juist op punten waar iemand anders het leven heeft gelaten beide handen aan het stuur houden. Maar het katholiek geloof in Zuid-Amerika kent een andere logica.


