Donderdag 30 september 1999
Geen kip
Met de bus rijden we naar Pisac, een dorpje op ongeveer een uur van Cuzco. Pisac ligt prachtig aan de rivier Urubamba in de heilige vallei van de Inca’s. Het enige wat er te doen is in het dorp is markt, er is meer markt dan dorpje. Er zijn stalletjes met etenswaren en andere dagelijkse boodschappen, maar het meeste aanbod bestaat uit typisch Peruaanse kleurrijke kleding, tassen, kleden en ander handwerk. Ideaal om in één keer alle souvenirs voor mee naar huis te kopen.
Op gammele stoelen voor een restaurantje gaan we zitten om te lunchen. Een jongen van een jaar of twaalf met een cowboyhoed bedient ons. Hij wijst ons op het bord naast de deur waar het menu op staat en geeft ons een schriftje om de bestelling in op te schrijven. Met het schriftje rent hij naar binnen en vijf minuten later weer naar buiten. Hij wijst op de cola in het schriftje en schud z’n hoofd. Hetzelfde doet hij bij alle bestelde gerechten, behalve bij de gebakken rijst. We moeten iets anders kiezen en in het schriftje schrijven. Al gebarend bij het menubord begrijpen we van de jongen dat de kip op is. Omdat kip het hoofdbestanddeel van de Zuid-Amerikaanse keuken is, blijven alleen de gebakken rijst en het omelet nog over. Plus de Fanta. Met de nieuwe bestelling rent de jongen weer naar binnen. We begrijpen intussen de bijzondere bestelprocedure waarbij nauwelijks gesproken wordt, de jongen is doof.
Eeuwige jeugd
Halverwege de weg terug naar Cuzco stap ik in m’n eentje uit de minibus. Het is nog een kilometer of tien lopen, voornamelijk vlak of iets omlaag, met enkele Inca-ruïnes langs de route. De anderen voelen er niet veel voor, maar ik moet echt een stuk wandelen. De rode bloedlichaampjes gieren nog door mijn lijf na de Inca Trail. Het busje heeft me afgezet bij de kleine en zo goed als verlaten ruïne van Puka Pukara. Volgens de Lonely Planet is dit de minst interessante ruïne in de omgeving van Cuzco. Eén verdwaald gezin loopt er rond, verder niemand. Er is ook niemand om een gaatje te knippen in m’n Cuzco Visitors Ticket.
Een paar honderd meter terug naar Pisac ligt de ruïne van Tambomachay. Ik twijfel of ik er naar toe zal lopen, de verlatenheid is wat beangstigend. Af en toe rijdt een minibus of pick-up voorbij, een dorpje zie ik nergens liggen. Ik ga er toch maar naar toe. Tambomachay is een oude bron en wie van het water drinkt heeft volgens de legende de eeuwige jeugd. Daar zijn vast meer toeristen te vinden, al zullen die van het water eerder de eeuwige diarree overhouden. Tambomachay ligt iets van de weg af en op het steenpad ernaartoe komt een bus vol toeristen me voorbijrijden. Niet gedacht dat ik zo blij zou kunnen zijn bij het zien van een bus toeristen.
Ook Tambomachay is maar klein. De getrapte wand met naadloos op elkaar aansluitende stenen en het stroompje water zijn in één oogopslag te overzien. De bus is leeggestroomd en heeft hoorbaar en zichtbaar Amerikanen uitgespuwd. De Peruaanse kinderen die in kleurige kledij klaarstaan om te worden gefotografeerd hebben er goede klandizie aan. Totdat er over de heuvel boven de ruïne een stel lama’s aan komt wandelen. De hele groep volgt de lama’s door de lens van hun fototoestel of op het schermpje van hun videocamera. Ik ben net te traag met het uit de rugzak vissen van m’n fototoestel om het tafereel vast te leggen. Nee, niet de lama’s, de allemaal dezelfde kant op filmende en fotograferende Amerikanen zijn het tafereel.
Onaangename stilte
De hele reis door Peru en Bolivia ben ik gewaarschuwd tegen overvallers en ander gespuis dat het op toeristen heeft voorzien. De hele reis heb ik voorzichtig gedaan, zeker na mijn avontuur bij de Boliviaanse geheime dienst. En nu loop ik eenzaam en alleen langs de weg terwijl het langzaamaan begint te schemeren. Stom, stom, stom.
Per tien à vijftien minuten passeer ik een kilometerpaaltje, 9, 8, 7. Steeds minder auto’s passeren me. De eerste kilometers kwam nog een enkele toeterende minibus voorbij, met een bewegende arm uit het raam ten teken dat ik er nog wel bij paste. Tussen kilometer zeven en zes zie ik één auto, een pick-up. Dan is er een splitsing en kan ik kiezen tussen de doorgaande weg naar Cuzco of een zijweg langs de resterende Inca-ruïnes. Beide wegen zijn verlaten. Ik kies de weg langs de ruïnes, omdat ik daar in de verte een Jezusbeeld op een bergtop zie staan dat ik herken van m’n bezoek aan Sacsayhuamán.
Na een kwartiertje ligt er af en toe een huis aan de weg en zie ik Sacsayhuamán liggen. Cuzco komt dichterbij. Bij sommige huizen begint een waakhond te blaffen als ik voorbij loop, eentje loopt een tijdje blaffend achter me aan. Bij Sacsayhuamán aangekomen is het uitgestorven, er rijdt alleen een auto rond om afval op te halen. De ruïne van Q’enqo heb ik in de haast om naar Cuzco terug te wandelen helemaal gemist. Echt treurig ben ik er niet om, ik ben te opgelucht dat ik weer veilig in de bewoonde wereld ben aangekomen.




