Zondag 23 juni 2002
Even na tien uur stap ik uit mijn kamer, zonder plannen voor de rest van de dag. Pieter, Gaytrie en Carola staan op het punt om naar het strand te vertrekken en ik besluit om mee te gaan. Opgewonden vertelt Gaytrie hoe ze afgelopen nacht een half uur bij Nirma voor de dichte deur heeft gestaan. Ze had zelf geen sleutel bij zich, Gaytrie en Michelle delen namelijk een sleutel. Deze keer had Michelle die bij zich omdat zij het laat zou maken. Gaytrie heeft zich suf gebeld, op de deur gebonkt, geschreeuwd, maar de enigen die wakker werden waren de buren en niet Nirma. Uiteindelijk is ze naar het huis van Onelio gegaan. Die deed gelukkig wel open en slaagde erin om Nirma per telefoon wakker te bellen. Ze bleek in diepe slaap, door hoofdpijn. Al het kabaal van Gaytrie had het geratel van de airco in haar slaapkamer onvoldoende overstemd om er wakker van te worden. Ze hebben naar aanleiding van dit akkefietje vannacht nog flink ruzie gemaakt, met als resultaat dat ze beide niet meer met elkaar onder één dak willen. Vanochtend heeft Onelio een nieuw adres voor Gaytrie geregeld.
De hele dag luieren we op Playa Santa María, even ten oosten van Havana. Aan het strand staat alleen een hotel uit het Sovjettijdperk, een betonnen kolos die in dezelfde kleur lichtblauw is geverfd als veel van de oude Amerikaanse auto’s op het eiland. Links en rechts van het hotel zijn enkele luchtige houten strandtenten gebouwd, waar rieten parasols en zonnebedden uit één stuk wit plastic worden verhuurd. Het strandwachterstorentje van roestig staal wordt niet gebruikt. Wel patrouilleren er agenten op het strand. Hun voornaamste doel is om door hun aanwezigheid prostitutionele activiteiten in de kiem te smoren.
Het is gezellig druk aan het strand. Omdat het zondag is, zijn veel Habaneros hier vandaag naartoe gekomen. Wij nestelen ons dicht tegen elkaar in de schaduw van een parasol. Beetje lezen, beetje Spaanse woordjes leren. Zelfs in de schaduw is het brandend heet. Ik verschuif met de schaduw mee en kom alleen onder de parasol vandaan voor een verfrissende plons in het zeewater. Het is voldoende om aan het eind van de dag verbrand naar huis terug te keren.
Onderweg terug passeert onze taxi de stoet Cubanen die naar Havana loopt, fietst of bromt. De wandelaars zullen onderweg zijn naar een bushalte, want het is zeventien kilometer naar het centrum van de stad. Op de fietsen trappen jongens met hun meisje achterop de bagagedrager. De meisjes drukken zich met de armen om het middel van hun jongen geslagen tegen zijn rug aan. Met opgetrokken knieën laten zij hun voeten steunen op de bouten van de achterste wielnaaf. De lichte motorfietsen zijn voor jonge stellen met een klein kind, dat tussen papa en mama ingeklemd wordt meegevoerd. Iedereen heeft zijn zwemkleding nog aan, met hooguit een hemdje of korte broek erover aangetrokken. De regenbui die naar beneden komt, lijkt niemand te deren. Totaal doorweekt stappen, trappen en brommen de Cubanen vrolijk door.
Na het avondeten belt Michelle me om bij te kletsen over vandaag. Voor de spijsvertering (ondanks dat we consequent de helft niet opeten, blijft Xiomara copieuze maaltijden serveren; het is de Cubaanse uiting van gastvrijheid en rijkdom) en vanwege het heerlijke terras wandel ik naar haar huis. Wanneer ik er ben begint het weer te plenzen, maar wij zitten heerlijk overdekt in de witte vogelkooi. In de straat stopt een busje om pizza’s te bezorgen. We zijn verrast dat deze toch luxe en luie dienstverlening ook al in Havana is doorgedrongen. Michelle vertelt dat Nirma tijdens de revolutie samen met Fidel en Che heeft gevochten. Ze heeft in die periode twee jaar gevangen gezeten en heeft als overblijfsel van martelingen littekens op onder andere haar armen. Tegenwoordig is ze minder lovend over Castro. “Hij heeft goede dingen voor het land gedaan, maar nu maakt hij het land kapot”. Het is zoals veel Cubanen over hem denken en steeds openlijker durven te uiten.



