Woensdag 3 juli 2002
Na de Spaanse les gaan Michelle en ik wederom lunchen bij het vegetarisch restaurant El Biki. Het is een weldaad voor Michelle, die als vegetariër haar principes op Cuba noodgedwongen heeft moeten oprekken. Op haar gastadres bij Nirma eet ze nog steeds geen vlees, maar wel vis. Meestal gaat dat goed, met uitzondering van die ene keer dat Michelle tot haar afschuw het vlees van een zeeschildpad voorgeschoteld kreeg. Nirma had de dieetwensen van Michelle – niet geheel onlogisch – iets ruimer geïnterpreteerd.
Terwijl Michelle vanmiddag op missie gaat om haar visum voor een maand te verlengen en de retourvlucht naar de Verenigde Staten te verzetten, zoek ik een museum op. In het Museo de Bellas Artes aan de Trocadero bezoek ik de expositie met hedendaagse Cubaanse kunst. Het is een museum voor moderne kunst zoals je dat overal ter wereld kunt aantreffen, een megalomaan modern gebouw met kille zalen waarin alle stromingen van de twintigste eeuw zijn vertegenwoordigd. Er staat een glimmende installatie met tientallen tentakels, genaamd ‘spiegels voor astronauten’ en een serie plexiglazen kubussen gevuld met dorre bladeren. Er hangen schilderijen die duidelijk zijn geïnspireerd door het werk van Roy Liechtenstein en Keith Haring en Warhol-achtige portretten van Fidel Castro en Che Guevara. De uitbundige en kleurrijke kinderlijke voorstellingen van Alfredo Sosabravo doen denken aan een Caribische variant op de stijl van de Cobra groep. Ik ben gefascineerd door een landkaart van Cuba, die met een paar kwaststreken is omgetoverd tot een wulps op haar ellebogen liggende vrouw.
De complete collectie van het museum is van Cubaanse kunstenaars. Nergens hangt een schilderij van een wereldvermaarde grootheid. Bij iedere nieuwe zaal verbaas ik me er opnieuw over dat moderne kunst en een communistische dictatuur elkaar hier blijkbaar verdragen. Dat er zoiets ultiem Amerikaans als popart aan de muren hangt, al neemt dat natuurlijk wel een loopje met de iconen van de Amerikaanse industrie. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om in sommige werken een antirevolutionaire boodschap te herkennen. Uit een tijdelijke tentoonstelling met sombere werken van ruige klodders donkere verf op gescheurde stukken karton meen ik een aanklacht te herkennen tegen de armoedige situatie in het land. En een enorm schilderij in revolutionaire propagandastijl, met een landarbeider van wie de spade buiten het kader van het schilderij blijkt uit te monden in een penseel, heeft wel iets ondeugends.


