Maandag 17 juni 2002
Les 1: wegwijs in Havana
Om negen uur verzamelen de nieuwe studenten zich in het huis van Onelio en Xiomara, het huis waar ik afgelopen nacht heb geslapen. Nog twee Nederlanders, Pieter en Gaytrie, Carola uit Duitsland en Diana uit Engeland. Er is ook een handvol leraren en leraressen aanwezig. Aan de keukentafel vullen we een toets in en stelt een van de leraren ons om de beurt vragen. Zo krijgen ze een indruk van ieders startniveau en kunnen de lesgroepjes worden samengesteld. Na een uurtje zijn we klaar voor vandaag, de echte lessen gaan morgenvroeg beginnen.
Om ons een beetje wegwijs te maken met de Cubaanse manier van leven gaat een van de leraren, Gerardo, met ons de straat op. Gerardo is een jonge vent, groot en stoer, maar beschaafd stoer. Zijn ronde ogen vallen diep weg onder zijn wenkbrauwen en zijn kin steekt met een brede grijns naar voren. Hij draagt een spijkerbroek, een poloshirt en stevige schoenen met spekzolen. Eerst gaan we geld wisselen. Iedereen heeft dollars en voor toeristen is dat als betaalmiddel voldoende. Maar om je zo nu en dan over te geven aan de Cubaanse manier van leven is het handig om ook wat pesos op zak te hebben. Nacionales wel te verstaan, want je hebt ook nog convertibles die in feite gelijk staan aan dollars.
Op de hoek van het parkje waarin ijssalon Coppelia ligt, staat een houten hokje met twee loketten. Aan beide loketten worden mensen geholpen, maar er staat geen zichtbare rij achter hen. “De twee groepjes mensen die daar staan, elk in de schaduw van een boom, dat is de rij, cola in het Spaans”, legt Gerardo ons uit. “Als je wilt aansluiten in de rij, dan vraag je wie el ultimo, de laatste in de rij is. Iemand zal dan antwoorden of een hand opsteken, dat is degene na wie je aan de beurt bent.” Mooi systeem. We sluiten aan en wisselen ieder vijf of tien dollar in voor pesos. Met een koers van 26 pesos voor een dollar moeten we daar ruimschoots mee vooruit kunnen.
Daarna legt Gerardo uit wat de Cubaanse manier is om zo’n oude Amerikaanse taxi nemen. De taxi wordt gedeeld, het is een zogenoemde colectivo. Logisch, Cuba is per slot van rekening een communistisch land. De colectivos rijden een min of meer vaste route en je kunt voor tien pesos per persoon meerijden, mits je bestemming op de route ligt en er nog voldoende plaats is in de taxi. Om een colectivo te kunnen nemen is dus wel enige kennis van Havana en een goed richtingsgevoel vereist. “Om als toerist te worden meegenomen, moet je wel zelfverzekerd overkomen”, vertelt Gerardo. “Je vraagt niet voorzichtig of je mee kunt, maar zegt door het ruitje van de taxi Hasta Capitolio! als je van hier naar de oude stad wilt of Hasta Universidad! als je weer terug hiernaartoe wilt. De chauffeur moet begrijpen dat deze manier van reizen voor jou normaal is, dat je geen echte toerist bent. Zeg ook niet dat je naar Hotel Habana Libre wilt, ook al ligt dat vlak bij de universiteit, de chauffeur zal je dan laten staan of de toeristenprijs van 3 of 4 dollar per rit rekenen. Het is Hasta Capitolio! Hasta Universidad!” Als een heuse leraar herhaalt Gerardo het een aantal keer om ons de juiste intonatie te laten horen. “Hasta Capitolio! Hasta Universidad!” Hij maakt er een dirigerend armgebaar bij en laat zijn wenkbrauwen nog dieper zakken.
Les 2: een broodje ham
Na deze lessen van Gerardo gaat iedereen zijns weegs. Ik loop via de Malecón in de richting van de oude stad. Ik heb niet meer het gevoel van verwondering over de straattaferelen, zoals ik dat twee jaar geleden had toen ik voor het eerst op Cuba was. Het is meer een klein feestje van herkenning, wanneer ik het barretje herken om de hoek van het hotel waar we toen verbleven, wanneer ik Cubanen door de tralies van een café zie hangen om te kijken naar de band die binnen Guantanamera speelt of wanneer ik op straat wordt aangesproken om sigaren te kopen of gewoon zomaar, omdat ik er anders uitzie.
Op het bijna volledig gerestaureerde Plaza Vieja zie ik een authentieke bar waar ze broodjes verkopen. Het is een hoge, wat duistere ruimte met door het midden een lange houten bar waar een paar mensen aan zitten. Verder niets, geen versiering aan de muren, geen tafeltjes, hoewel daar voldoende ruimte voor is. Ik bestel een broodje ham en fris, maar dat laatste hebben ze niet. Water dan? Ook niet. De mannen en vrouwen aan de bar zitten allemaal met een flesje bier voor zich, dat is het enige wat je hier kunt drinken. De barman gaat naar achter voor het broodje. Ook dat is slechts bijproduct, de tent draait op bier en de losse verkoop van sigaren en sigaretten, die de barman voor zijn klanten uit een pakje klopt. De gasten aan de bar praten wat tegen me, ze vinden me wel een vermakelijke afwisseling in deze bar. De barman komt terug met een broodje en hij heeft ook een glas met een Roosvicee-achtig sapje bij zich. Hoewel ik het goedje niet helemaal vertrouw, heeft de man zo zijn best voor me gedaan dat ik het wel helemaal leeg moet drinken.
Les 3: de pont naar Casablanca
Verder dwalend bereik ik het water van de baai van Havana, precies op de plek waar de pont naar de overkant vertrekt. Het fort aan de overkant is wel een mooi doel voor vanmiddag, bedenk ik ter plekke, en ik wandel naar de pier waar de mensen tussen roestige hekken staan te wachten. Onderzoekend sta ik voor de pier: in welke rij zou ik moeten aansluiten en hoe kom ik aan een kaartje? Nergens staat iets aangegeven. Een vriendelijke man van ergens in de zestig ziet mijn hulpbehoevende blik en vraagt waar ik naartoe wil. Kom maar met ons mee, gebaart hij. Hij duwt zijn vrouw, die in een rolstoel zit, voor zich uit de pier op en we sluiten aan in de meest linker rij.
Er meert regelmatig een pont aan, maar het duurt enige tijd voor onze rij in beweging komt. Die andere ponten varen naar Regla, vertelt de man me, en wij moeten naar Casablanca. Hij en zijn vrouw wonen daar. Als hij hoort dat ik uit Nederland kom, vertelt hij dat hij vroeger heeft gevaren en ook met Nederlanders heeft gewerkt. Baggeraars, begrijp ik na handen- en voetenwerk, want ik ben nog lang niet zover dat ik weet wat een baggeraar in het Spaans is.
De rij komt in beweging. Het gaat vlot, iedereen drukt een muntje in de hand van een man met een leren buidel om z’n middel en krijgt er in dezelfde beweging een kaartje voor terug. De oude man betaalt ook voor mij, want ik heb weliswaar nacionales, maar niet in zulke kleine muntstukken. Hortend en stotend duwt de man de rolstoel de pont op. De spaken van de wielen lijken het net te houden, één spaak minder en de vrouw kiepert tussen wal en schip, speelt door mijn gedachten. Een van de voetsteunen van de rolstoel glijdt telkens opzij, onder de voet van de vrouw vandaan. Geduldig bukt de man dan en plaatst de steun weer onder de voet van zijn vrouw, wetend dat het over vijf minuten weer gebeurt, omdat er een onderdeeltje ontbreekt.
Een klein stukje varen verder is het alsof je op een eiland aankomt. Casablanca is groen en dorps, met laagbouw rond een plein waar schoolkinderen in uniform aan het spelen zijn. Via een hazenpad tussen de struiken door klim ik naar het fort. Langs de hoge buitenmuur van het fort heb ik tussen de bomen uitzicht op de oude stad, waar de koepel van het Capitolio prominent bovenuit steekt. Ergens halverwege de ommuring staat een poort open, het is duidelijk niet een officiële ingang, maar ik loop er naar binnen. Aan het andere eind van de gang staat een soldaat die opschrikt van mijn verschijning. Ik heb de indruk dat hij er vooral staat om te voorkomen dat bezoeker vanaf de binnenplaats deze gang betreden en door de catacomben gaan dwalen. De soldaat wijst me hoe ik naar de kassa’s bij de ingang moet lopen en seint via zijn walkietalkie door dat ik eraan kom. Ik koop een kaartje en drink wat op het verder lege terras in het fort. Er is geen toerist te bekennen, alleen Cubanen die werken in het wapenmuseum, in een van de winkeltjes of bij het leger. Op het grote plein met fris gras en mangobomen oefent een soldaat in hemdsmouwen voor het kanonschot van negen uur vanavond.
Les 4: de Cubaanse nacht
Terug naar huis pak ik een taxi, die via de tunnel onder de baai door zoeft. Naar huis, toch het huis van afgelopen nacht, van Onelio en Xiomara, die mijn gastgezin blijken te zijn. Behalve Berry heeft ook Carola een kamer bij ons in huis. Gedrieën zitten we om stipt zeven uur aan de keukentafel voor een copieuze maaltijd met een stevige kom soep, een bord vol kippenpoten en cassave en natuurlijk een kom met rijst en zwarte bonen. Onelio, Xiomara en wat er verder aan familie in het huis rondloopt – het moet allemaal nog op z’n plaats vallen – eten apart, op een ander moment.
Na het avondeten gaan Berry, Pieter, Gaytrie en ik op zoek naar muziek en dans, maar het Casa de la Musica blijkt op maandagavond gesloten. Op goed geluk struinen we het centrum in en worden op de Obispo aangesproken door een rimpelig mannetje dat wel iets voor ons weet. Hij loopt voor ons uit naar een buurtcafé, twee straten verder. Door de grote ruiten zien we alleen mensen suf aan een bar hangen, er klinkt geen muziek en er wordt niet gedanst. Maar op verzoek van het rimpelige mannetje wordt de muziek keihard gezet en de mojito’s zijn er naar zijn zeggen goedkoop, dus vooruit, eentje dan.
We gaan aan een tafel zitten en bestellen drankjes. Natuurlijk ook een mojito voor het rimpelige mannetje, dat naast de tafel heupbewegingen en kontdraaien aan ons demonstreert. Hij is dansleraar, iedereen in Havana is dansleraar. Een man van in de veertig schuift ook bij ons aan. Hij vertelt geanimeerd dat dit café het echte Havana is en niet een toeristische façade en dat hij vroeger profbokser is geweest. Hij laat ons zijn visitekaartje zien, ook hij is dansleraar. Ik geloof het allemaal, maar hij probeert ons op een overweldigende manier te behagen. Bij ons valt wat te halen, te beginnen met de mojito die de serveerster voor ‘m neerzet en ongevraagd bij ons op de rekening zal zetten.
Na een tijdje komen twee prachtige jonge vrouwen het café binnen, geregeld door een van de stamgasten om met ons te dansen. Ze zijn lang en slank, hebben strakke navelshirtjes aan en zulke superstrakke spijkerbroeken dat de rits niet dicht kan. De flappen van de rits staan uitnodigend naar buiten gevouwen, een modeverschijnsel dat ik nog niet kende. “Dit zijn echte Cubaanse muchachas, geen hoertjes van de Havana Club”, prijs de bokser hen aan. We dansen wat. De meisjes zijn gelukkig niet zo gretig als ik vreesde. Gewoon, relaxed dansen en daarna zoeken ze een eigen tafeltje op in het café.
Heel anders is de vrouw die zich intussen op Berry heeft gestort. Ze palmt hem in door zwoel tegen hem aan te dansen, gaat naast hem zitten aan ons tafeltje, schuift tegen hem aan, fluistert hem onverstaanbare woorden in het oor, wrijft haar hand over zijn been, kust hem op de wang en heeft het na enig aandringen voor elkaar dat ze Berry op de mond mag kussen. Berry ondergaat haar met een hemelse grijns over de volle breedte van het gezicht en glimmende oogjes, waterig door de mojito’s en de oude rum. Lacherig, ongelovig maar ook wat ongerust, bekijken Gaytrie, Pieter en ik het schouwspel waar we met de neus bovenop zitten.
Aan de bar zit de man van deze vrouw, hij kijkt goedkeurend toe. De vrouw heeft een licht opgezette buik. We denken dat ze zwanger is, er is bijna geen twijfel mogelijk. De vrouw vertelt Berry iets in zijn oor, hij geeft haar dollars en ze gaat naar achter. We vertrouwen het niet. Naïeve Berry is helemaal van de wereld, betoverd door zoveel vrouwelijke aandacht. Gaytrie, Pieter en ik overleggen. Moeten we iets doen? Of moeten we Berry zijn gang laten gaan? Hij is een volwassen vent van zevenentwintig, maar is in de dag dat we hem nu kennen op ons overgekomen als tamelijk wereldvreemd.
De vrouw komt weer tegen Berry aanzitten, ze heeft sigaretten gehaald. We kijken het even aan. Dan vraagt Gaytrie aan Berry of hij wel condooms bij zich heeft. Berry schrikt. Ineens lijkt er iets van besef tot hem door te dringen. We besluiten terug naar huis te gaan, het is al na middernacht, en Berry komt met ons mee. Hij vraagt het telefoonnummer van de vrouw en haar e-mailadres. De rekening wordt gebracht. We delen de mojito’s voor het rimpelige mannetje en de bokser en stellen voor dat Berry de drankjes voor de vrouw betaalt. Hij is perplex, niet van ons voorstel, maar van het feit dat zij onaangekondigd op onze rekening heeft gedronken. Met de rekening in de hand loopt hij naar de barman en probeert uit te leggen dat er iets niet goed is gegaan. Bloedserieus, maar natuurlijk tevergeefs.





