Donderdag 20 juni 2002
Als je een hele maand in Havana bent, hoef je er niet zo nodig iedere dag op uit te trekken. Zo gebeurt het dat ik na de Spaanse les en de salsales met Michelle mee naar huis ga. Ze heeft een kamer bij Nirma, een vrouw die alleen woont op de eerste verdieping van een gebouw in de typische Miami-stijl van Vedado. Aan de voorkant van haar etage is over de volle breedte een groot balkon, overdekt door het balkon van de bovenverdieping en aan alle kanten van boven tot onder afgesloten met wit ijzeren traliewerk. Zachtjes kwebbelend schommelen Michelle en ik de middag weg in deze heerlijke vogelkooi. We drinken grote glazen koud water en eten een homp gebak van opgeklopt suikereiwit, een restant van de verjaardag van Nirma die gisteren vijfenzestig is geworden.
Michelle woont in New York, in een piepklein appartement in de Poolse wijk in Brooklyn. Haar woonkamer is ongeveer net zo groot als dit balkon. Ze tekent de indeling ervan uit op het balkon: daar is kitchenette, daar staat haar bureau, daar de kast met tv, radio en boeken en waar wij op onze schommelstoelen zitten, staat de bank. Verder heeft ze nog een slaapkamertje en een badkamer en dat is het. Ze is bezig om haar PhD te halen in de antropologie en werkt daarnaast voor twee organisaties die lobbyen voor het opheffen van de handelsblokkade tussen Cuba en de Verenigde Staten. Volgend jaar wil ze als eindonderzoek een jaar lang research doen bij een joint venture tussen de Cubaanse staat en investeerders uit Europa of Canada, bijvoorbeeld in de toeristenindustrie. Daarom is ze nu zes weken in Havana om contacten te leggen met universiteiten en overheidsinstanties.
Het maken van plannen voor het eindonderzoek op Cuba vliegt haar wat aan. Sinds ze in Havana is heeft ze iedere dag privélessen Spaans gehad, maar het is onvoldoende om contacten te kunnen leggen. Bovendien is de bureaucratie van het Cubaanse overheidsapparaat ondoorgrondelijk voor wie niet op dit eiland is geboren. Michelle vraagt zich af of ze niet een onmogelijk onderzoek voor ogen heeft. Ze heeft toestemming en medewerking van de Cubaanse overheid nodig, maar wie zit er daar te wachten op een student uit de Verengde Staten die de eerste voorzichtige schreden naar het kapitalisme komt observeren? En nog eens twee jaar zelfopoffering voor de wetenschap, terwijl ze al bijna dertig is en vrienden van haar leeftijd allang een normale baan hebben, oh my god.
We keuvelen over onze indrukken van Cuba en over eerdere belevenissen, over Amerikaanse televisieseries en over muziek, over de andere leerlingen en de Cubanen die we inmiddels kennen. In haar verschijning is Michelle onvervalst Amerikaans. Ze gebruikt vaak you know en oh my god en heeft een korte, hoog overslaande lach. Ik ben gefascineerd door haar zo verschillende gezichten wanneer ze lacht en wanneer ze serieus is, en wanneer ze haar donkerbruine haar in een staart of los heeft. Ze heeft bijzondere gedachtespinsels en, als logische gevolg van haar studie, een opmerkelijk observatievermogen voor menselijk gedrag. Haar warrigheid is aandoenlijk. Het e-mailadres van een belangrijk contactpersoon op Cuba heeft ze thuis in New York laten liggen en al dagenlang is ze een biljet van honderd dollar kwijt. En terwijl ze tijdens het praten met haar horloge speelt, is ze ook dat ineens kwijt.
Tussen de spijlen van onze witte kooi zien we hoe in de namiddag het leven in de straat onder ons langzaam op gang komt. Er rijdt een begrafenisstoet voorbij, een lijkwagen gevolgd door een grote bus en enkele personenauto’s. Mensen verzamelen zich bij portieken om de laatste buurtroddels uit te wisselen. Cubanen zijn ontzettende roddelaars. Volgens Michelle speculeren Onelio en Nirma zich suf over Pieter en Gaytrie. Ik voed de geruchten door Michelle te vertellen dat ze gisteravond hebben gezoend, toen ze zich op de achterbank van de taxi onbespied waanden. Michelle zal het doorvertellen aan Nirma en zo participeren wij in deze volkssport, als waren we echte Cubanen.
Na vanmiddag zullen de roddels over Michelle en mij ook zeker rondgaan.


