Zaterdagnacht 22 juni 2002
Vrolijke krabbelaars
Er stopt een coche americano met twee Cubanen naast de chauffeur op de voorbank en drie op de achterbank. Michelle en ik passen er nog wel bij op de achterbank. “Suave” zegt de chauffeur tegen ons als we instappen; zachtjes met de deur. We laten ons afzetten bij Parque Maceo. Daar in de buurt ligt het Casa de la Trova, waar gedanst kan worden, maar we beginnen onze avond uit met wat drinken op het grote terras naast het park. Het ligt onaantrekkelijk, ingeklemd tussen drie wegen met voor Cubaanse begrippen veel gemotoriseerd verkeer en uitzicht op een soort fly-over. Maar het zit er vol met Cubanen en de sfeer is goed. Twee jongetjes maken op een los schriftblaadje portretten van Michelle en mij. De jongens hebben een hoop pret als ik ook een schetsje van hen maak. Ze steken hun vingers als ezelsoren achter elkaars hoofd op, alsof ik dat mee zal tekenen. Ze gieren het uit als ze het eindresultaat van elkaar te zien krijgen.


Het stille voorspel
Op de plaats waar het Casa de la Trova volgens de kaart moet zijn klinkt harde muziek, maar het is afkomstig uit een radio aan de overkant van de straat. De deuren zijn potdicht, er is niets dat wijst op een zinderend danspaleis. We lopen iets verder de donkere straat in. Niets. We vragen een voorbijganger. Hij wijst vaag in de richting waar we net voor de dichte deur stonden en murmelt er iets onverstaanbaars bij. We interpreteren het als een uitleg dat het gesloten of opgedoekt is. Dan nemen we maar een taxi naar het Casa de la Musica. Onbedoeld brengt de chauffeur ons naar het Casa de la Musica in de rijke buitenwijk Miramar, in plaats van de nog vrij nieuwe Casa de la Musica in Centro Habana. Omdat we niet veel zin hebben om als Jozef en Maria de hele nacht rond te dolen, stappen we uit en betalen met tegenzin de tien dollar per persoon aan entree, drankjes exclusief.
Wanneer we de zaal binnengaan, vrezen we dat deze avond gedoemd is om te mislukken. Van de ronde tafeltjes waarmee de gehele zaal is gevuld, zijn er slechts enkele bezet en het podium is leeg. Wat een farce. We kiezen een mooi tafeltje uit, onvermijdelijk naast een Europese man van middelbare leeftijd met een Cubaanse schone voor één nacht, want ongeveer de helft van het aanwezige publiek is een dergelijke combinatie. De man naast ons is ergens in de veertig, heeft een babyvettig gezicht en kijkt opgetogen door zijn plastieken Hans Anders bril. Zijn hoertje heeft er duidelijk minder zin in. Verveeld voor zich uit starend nipt ze aan haar mojito. De lichamelijke toenaderingen van de man – praten is door de taalbarrière onmogelijk – beantwoordt ze door met beroepsmatige routine tegen hem aan te kruipen. Daarbij houdt ze haar gezicht van de man afgekeerd en trekt, bewust of onbewust, een grimas van totale desinteresse in onze richting. Wat lege tafels verderop in de zaal zit voor de afwisseling een vrouw van middelbare leeftijd met een tropische toyboy, een geheel in het wit geklede rasta. Ook zij zitten stil voor zich uit te drinken en kleffig te knuffelen, beide om verschillende redenen hunkerend naar de climax.
De nacht ontwaakt
Om twaalf uur is het inmiddels redelijk vol gelopen met een meer gevarieerd publiek. Op het podium begint een veelkoppige band te spelen en dat doen ze werkelijk fantastisch. Voor het podium staan vier groupies mee te zingen en te swingen. Ze lijken over een extra set bilspieren te beschikken voor het maken van rollende kontbewegingen. Langzaam stromen er ook wat stellen naar voren om mee te dansen.
Als pauzeact treedt een degenslikker annex goochelaar op. Hij draagt alleen een strak zwart zwembroekje waar hij glimmende versierselen heeft opgeplakt om een Oosters effect te bereiken. Op zijn hoofd draagt hij een plastic kroon uit de speelgoedwinkel. Zijn assistente is met haar glimbikini en omslagvitrage bijpassend uitgedost. Ondanks de kneuterige uitstraling zien de fysieke acts er indrukwekkend uit. Hij slikt vuur, dooft een sigaret op zijn tong en slaat zichzelf met een scherpe degen stevig op zijn arm en keel. Zijn goocheltrucs mislukken stuk voor stuk. Bij het ondersteboven houden van een kan die hij zojuist heeft gevuld, sijpelt er toch water uit de dubbele wand. Het water dat hij in een dichtgevouwen dollarbiljet giet, komt er aan de onderkant het zo hard weer uit. Hij krijgt het zelfs niet voor elkaar om het van een toerist uit het publiek geleende dollarbiljet als fooi te incasseren. De betreffende man is onbekend met dit gebruik en neemt onder grote hilariteit het biljet weer terug.
Na de pauze wordt er volop meegedanst met de band. Een aantal vrouwen mag op het podium hun danskunsten laten zien, het applaus bepaalt de winnaar. Pas wanneer er voldoende mensen dansen om onopvallend in de massa te verdwijnen, gaan Michelle en ik ook de dansvloer op. Om te oefenen, zoals Vilma had gezegd.
Weer terug in Vedado vragen we de taxichauffeur om ons bij een eetgelegenheid af te zetten. Na een rondje zoeken zet hij ons af bij een bar waarvan de keuken inmiddels is gesloten. Er worden in de bar alleen nog dames geserveerd. Op onze intussen redelijk ontwikkelde intuïtie voor deze stad vinden we drie blokken verder een 7×24-uurs cafetaria, waar we onder het klinische tl-licht een magnetronpizza eten. Daarna breng ik Michelle keurig naar huis en loop de calle J af naar het huis van Onelio. Het is half vier in de nacht, maar de straat – een doodgewone woonstraat die twee verkeersaders kruist – leeft volop.

